Terug naar overzicht

Publicatie
MKB Nieuwsbrief mei 2018

Als ambtenaren op dienstreis gaan, gelden er vaste bedragen als onkostenvergoeding. Deze bedragen zijn vastgesteld volgens het Reisbesluit. Deze bedragen mag u ook toepassen voor zakelijke reiskosten van werknemers binnen uw bedrijf.

Voor binnenlandse dienstreizen kunt u maximaal de volgende bedragen voor verblijfkosten onbelast vergoeden aan uw werknemer:

kleine uitgaven overdag€ 4,41
kleine uitgaven ‘s avonds€ 8,83
ontbijt€ 9,94
lunch€ 8,93
avondmaaltijd€ 22,41
logies€ 100,68

Vergoedt u meer dan genoemde bedragen, dan kunt u het meerdere als belast loon aanmerken of onderbrengen in de werkkostenregeling. De vergoeding is dan onbelast bij de werknemer.

Let op! Komt u echter met alle vergoedingen en verstrekkingen betreft de werkkostenregeling in het jaar boven de grens van 1,2% van de loonsom van uw bedrijf uit, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing over het meerdere.

Ook voor dienstreizen naar het buitenland kunt u het Reisbesluit Buitenland volgen voor wat betreft onbelaste vergoedingen. Ook deze vergoedingen zijn gerichte vrijstellingen en dus onbelast. De vergoedingen verschillen per land, streek en stad. Meer informatie vindt u op deze site van de Overheid.

Als u de kosten van een overnachting niet aannemelijk kunt maken, mag u volgens het Reisbesluit Buitenland een vergoeding van €11,34 geven. Deze vergoeding is dan echter wel belast. Dit geldt overigens voor alle bedragen die u niet aannemelijk kunt maken, aangezien het aftrekbare kosten betreft en de bewijslast bij u ligt.

U bent niet verplicht de vergoedingen volgens de Reisbesluiten te volgen. U kunt dus ook alle werkelijke kosten vergoeden op basis van facturen. U zult wel altijd de zakelijkheid aannemelijk moeten kunnen maken.

Doet u zaken met buitenlandse afnemers binnen de EU? Dan bent u in principe verplicht btw in rekening te brengen en deze af te dragen. Onder voorwaarden kunt u het nultarief toepassen. Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan loopt u het risico van naheffing btw bij controle door de Belastingdienst.

Iedere ondernemer is in beginsel bij levering van goederen in/vanuit Nederland verplicht btw in rekening te brengen en deze af te dragen aan de Belastingdienst. De hoofdregel geldt ook voor levering van goederen aan een buitenlandse afnemer. Op de factuur dient dus in beginsel Nederlandse btw te worden vermeld. Onder voorwaarden is het echter mogelijk een levering te verrichten waarbij voor de btw het zogenoemde nultarief kan worden toegepast.

Een levering aan een afnemer binnen een andere EU-lidstaat kan gebeuren tegen het nultarief als in ieder geval aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

  • De goederen moeten vanwege de verkoop naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd; en
  • De afnemer moet over een buitenlandse (EU) btw-nummer beschikken en dit nummer verstrekken aan de leverancier, die dit nummer op de factuur vermeldt.

Bij vervoer door en/of voor rekening van een incidentele afnemer loopt u het risico dat u later over onvoldoende bewijs beschikt dat de goederen ook daadwerkelijk zijn vervoerd naar een ander EU-land. U kent de afnemer immers niet of niet goed. Daarom verdient het in rekening brengen van Nederlandse btw in deze situatie de voorkeur.

Tip:
Pas het btw-nultarief niet toe bij incidentele afnemers uit een EU-lidstaat.

Als het vervoer echter plaats heeft door en/of voor rekening van een vaste afnemer, dan kent Nederland daarvoor een specifieke regeling. Bij dergelijke transacties mag u het nultarief toepassen als u per transactie een zogenoemde vervoers- of afhaalverklaring opstelt. Dit laat onverlet dat elk ander aanvullend bewijs dat de goederen Nederland hebben verlaten uiteraard een betere bewijspositie opleveren.

Een zeer recente rechtspraak van het Hof van Justitie EU zet de toepassing van het nultarief bij afhaaltransacties verder onder druk! Er blijkt namelijk een extra risico bij toepassing van het btw-nultarief als uw afnemer zorg draagt voor het vervoer van de goederen.

Een Duitse leverancier had goederen verkocht aan een Oostenrijkse afnemer met de afspraak dat de Oostenrijkse afnemer de goederen vanuit Duitsland naar Oostenrijk zou vervoeren. De Oostenrijkse afnemer had de goederen inmiddels, voorafgaande aan het vervoer, al doorverkocht aan een volgende Oostenrijkse afnemer. Tevens was afgesproken dat deze laatste afnemer zou zorgen voor vervoer vanuit Duitsland naar Oostenrijk en dus niet de eerste afnemer zelf.

Kortom, de goederen werden uiteindelijk afgehaald in Duitsland en naar Oostenrijk vervoerd door de laatste (de 2de) afnemer. De Duitse leverancier paste op haar factuur aan de 1ste Oostenrijkse afnemer het Duitse nultarief toe aangezien zij meende aan de voorwaarden te voldoen. Uit de rechtspraak blijkt nu dat het nultarief niet kan worden toegepast als niet de 1ste afnemer maar een volgende afnemer in de schakel de goederen ophaalt of laat ophalen bij de 1ste leverancier!

Let op!
Worden de goederen door een andere partij opgehaald dan uw afnemer, kunt u het nultarief niet toepassen.

De hiervoor beschreven situatie kan zich voor u in de praktijk voordoen zonder dat u dat merkt. U weet immers vaak niet of uw afnemer de goederen inmiddels heeft doorverkocht. In dat verband geldt feitelijk dat toepassing van het btw-nultarief bij afhaaltransacties door buitenlandse afnemers sterk moet worden afgeraden.

Als u toch het nultarief wilt toepassen, is het advies om als aanvullende voorwaarde te stellen én te controleren dat uw afnemer zelf het transport regelt en dit niet laat verzorgen door een volgende afnemer in de schakel. Doet u dit niet, dan loopt u het risico van een naheffing btw bij controle!

Tip:
Wilt u het nultarief toch toepassen? Stel als aanvullende voorwaarde dat uw afnemer zelf het transport regelt. Én zorg voor een zorgvuldige controle hierop.

Ze zeggen wel eens dat de Nederlandse economie draait op familiebedrijven. Familiebedrijven staan bekend om hun veerkracht en stabiliteit. Maar zo is het niet altijd. Het familiebelang en het bedrijfsbelang kunnen nog wel eens door elkaar heenlopen. Het opmaken van een familiestatuut biedt in veel gevallen uitkomst.

Een familiebedrijf heeft vaak vele tradities. Door deze tradities zijn zaken soms onbespreekbaar geworden. Dit kan de ontwikkeling van het familiebedrijf in de weg staan, of het nu gaat om de bedrijfsopvolging, het aanstellen van nieuwe werknemers of het bepalen van de groeistrategie. Het gebruik van een vangnet is dan wenselijk. Een dergelijk vangnet is een familiestatuut.

Het familiestatuut wordt opgesteld door het familiebedrijf. Het is een document waarin afspraken staan met betrekking tot het bedrijf.

Door het opstellen van een familiestatuut legt u een aantal elementaire zaken vast en voorkomt u nodeloze discussies en mogelijk een conflict in de toekomst.

Let op!
Uiteraard is het voor de praktijk van belang dat de familieleden zich aan het familiestatuut houden. Daarop moet dus wel een controle plaatsvinden.

In een familiestatuut kunnen bijvoorbeeld de volgende zaken worden opgenomen:

  • identiteit, visie en missie van het familiebedrijf
  • de sollicitatieprocedure: krijgen familieleden voorrang?
  • het dividendbeleid
  • de procedure voor de bedrijfsopvolging
  • de procedure rond de benoeming van directieleden
  • waardebepaling
  • afspraken bij echtscheiding van familieleden
  • afspraken in overlijdensscenario directieleden
  • de besluitvorming rond de totstandkoming van het familiestatuut

De totstandkoming van het familiestatuut draait om gesprekken met de familieleden.

Tip:
Het aanstellen van een gespreksleider van buiten de familie is aan te raden!

In de gesprekken moet een duidelijke visie naar voren worden gebracht, die uiteindelijk moet leiden tot een heldere strategie voor de toekomst. De koppen moeten hierbij dezelfde kant op staan. Tijden en zo ook inzichten veranderen nu eenmaal. Na verloop van tijd is het dus zaak om het familiestatuut te evalueren.

Er moet worden beslist of de bepalingen uit het familiestatuut wel of niet bindend zijn. Door het opleggen van sancties bij een overtreding van de regels is er sprake van een juridische afdwingbaarheid van het document. Uiteraard moet het familiebedrijf zelf bepalen of dit wenselijk is.

Tip:
Bespreek de inhoud van uw familiestatuut met een jurist of advocaat.

Het is in de praktijk belangrijk om na te denken over een familiestatuut. Duidelijke onderlinge regels bieden meer stabiliteit, als vangnet voor conflictsituaties. Daarnaast geeft het structuur in de visies van verschillende familieleden.

 

Bent u als vereniging of stichting vennootschapsbelastingplichtig? Dan bent u vrijgesteld van vennootschapsbelasting als u in een jaar niet meer dan € 15.000 winst heeft gemaakt, of als uw winst in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaal niet meer dan € 75.000 bedraagt. Als in een jaar verlies wordt geleden, wordt de winst voor dat jaar op nihil gesteld bij deze berekening.

De winstdrempel van maximaal € 15.000 (dan wel € 75.000 over een periode vijf jaren) moet voorkomen dat grote verenigingen en stichtingen met professionele ondernemingen ook een beroep op de vrijstelling kunnen doen. Om deze reden is ook de bepaling opgenomen dat de winst in een verliesjaar op nihil wordt gesteld.

Indien u bijvoorbeeld over een periode van vijf jaren fluctuerende resultaten boekt van € 30.000 negatief (jaar 1 en 3) en € 15.000 positief (jaar 2 en 4) en in het vijfde jaar vervolgens een winst boekt van € 100 000, zou zonder deze bepaling de winst over het jaar en de vier voorafgaande jaren niet meer dan € 75.000 bedragen. Door de winst uit de verliesjaren op nihil te zetten wordt voorkomen dat de € 100.000 winst onbelast blijft.

Dat betekent dat het verlies in een verliesjaar niet wordt vastgesteld wegens de vrijstelling die uit de wet voortvloeit. Uiterlijk bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting kunt u verzoeken om de vrijstelling niet toe te passen. Op dat moment wordt het verlies wel bij beschikking vastgesteld. Dat verzoek geldt tot het moment waarop u dat weer intrekt. Intrekking is mogelijk na een periode van vijf jaar of een veelvoud van vijf jaar.

Let op!
Het is belangrijk om tijdig te verzoeken de vrijstelling niet toe te passen. Dat gebeurt in een afzonderlijk verzoek en niet in uw aangifte vennootschapsbelasting. Als het verzoek niet of te laat wordt gedaan, zal de Belastingdienst het verlies niet bij beschikking vaststellen.

Tip:
Vraag bij verliesjaren om de VPB-vrijstelling buiten toepassing te laten.

Verwacht u als vereniging of stichting een aantal verliesjaren? Dan zult u op dat moment niet direct denken aan het betalen van vennootschapsbelasting. Als u in de toekomst vennootschapsbelasting verschuldigd bent wegens dan behaalde winsten, kan het voordelig zijn om te verzoeken om de vrijstelling buiten toepassing te laten. Bij de financiële planning van uw organisatie moet het in de toekomst mogelijk betalen uw vennootschapsbelasting dan meegenomen worden in de prognose. Vervolgens kunt u met uw adviseur afwegen of de vrijstelling op verzoek niet moet worden toegepast.

Tip:
Omdat deze materie niet eenvoudig is, adviseren wij u om u goed te laten adviseren. Wij helpen u graag verder.

Met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017, wordt de fiscale-eenheidsregeling in de vennootschapsbelasting gewijzigd. De wijzigingsvoorstellen zijn nog niet concreet, maar in ieder geval zullen bepaalde rente-aftrekbeperkingen van toepassing zijn. Met name het mkb kan onnodig hard worden getroffen door deze maatregel.

Om het mkb tegemoet te komen, komt staatssecretaris Snel nu met een overgangsmaatregel. Het betreft leningen die verband houden met bijvoorbeeld een winstuitdeling of een teruggaaf van kapitaal, de zogenoemde 10a-leningen. Als de totale rente op dergelijke leningen binnen de fiscale eenheid niet meer bedraagt dan € 100.000, hoeft tot en met 31 december 2018 nog geen rekening te worden gehouden met een eventuele renteaftrekbeperking. Daarbij geldt wel een aantal voorwaarden. Zo moet het gaan om een op 25 oktober 2017, 11.00 uur, bestaande groepsschuld die verband houdt met bijvoorbeeld een winstuitdeling of een kapitaalstorting en die destijds om zakelijke redenen tussen de bv's van de fiscale eenheid is aangegaan. Als de totale rentekosten meer bedragen dan € 100.000, geldt de (eventuele) aftrekbeperking voor alle rente, dus ook voor de eerste € 100.000.

Met de tijdelijke overgangsperiode krijgen mkb-fiscale eenheden de gelegenheid om de gevolgen van de spoedreparatie voor de renteaftrekbeperking alsnog te voorkomen als deze van toepassing blijkt te zijn.

Over enkele weken start de Belastingdienst weer met controles en sancties inzake de Wet DBA. Deze waren opgeschort tot 1 juli 2018 om de markt aan de nieuwe wetgeving te laten wennen.

Met behulp van een Modelovereenkomst kan op dit moment vooraf zekerheid worden verkregen over het al dan niet bestaan van een arbeidsrelatie. Er zijn inmiddels tal van Modelovereenkomsten beschikbaar via de site van de Belastingdienst die gebruikt kunnen worden. Opdrachtgever en -nemer kunnen daarnaast ook zelf een Modelovereenkomst opstellen en die laten toetsen door de Belastingdienst.

De Belastingdienst heeft toegezegd dat tot 1 juli 2018 geen naheffingen en boetes zullen worden opgelegd als er sprake is van een arbeidsrelatie en er desondanks geen loonheffing is ingehouden. Dit geldt echter niet als er sprake is van frauduleus handelen. Daarvan is sprake als u met opzet een situatie van duidelijke schijnzelfstandigheid laat ontstaan. Bovendien is van belang dat u weet dat er in feite sprake is van een dienstbetrekking en u op deze manier probeert een financieel voordeel binnen te halen.

Per 1 januari 2019 zou er een toeslag gaan gelden in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor oude vervuilende dieselauto's. De inwerkingtreding van deze maatregel is echter vertraagd.

Vervuilende dieselpersonenauto's en dieselbestelauto's (van ten minste 12 jaar oud) kunnen in de motorrijtuigenbelasting straks rekenen op een toeslag van 15% als de fijnstofuitstoot meer bedraagt dan 5 mg/km. Voor een gemiddelde 'vuile' dieselpersonenauto in de gewichtsklasse 1350-1450 kilogram betekent deze toeslag een verhoging van de motorrijtuigenbelasting van € 225 per jaar.

De maatregel moet namelijk worden ingebouwd in het nieuwe MRB-systeem van de Belastingdienst. Dat systeem is waarschijnlijk pas per 1 januari 2020 operationeel. De toeslag gaat naar alle waarschijnlijkheid pas gelden vanaf 1 januari 2020.

Het kabinet gaat de looptijd van de zogenoemde 30%-regeling in de loonbelasting verkorten van acht jaar naar vijf jaar. De maatregel moet ingaan per 1 januari 2019 en gaat gelden voor zowel nieuwe als bestaande gevallen.

Als werkgever kunt u een werknemer die in het buitenland verblijft of een buitenlandse werknemer die tijdelijk in Nederland komt werken, onder voorwaarden een vergoeding geven voor de extraterritoriale kosten die deze werknemer maakt. U mag 30% van het loon, inclusief die vergoeding, belastingvrij uitbetalen. De looptijd van deze 30%-regeling is nu nog acht jaar. Het kabinet wil dit echter beperken tot vijf jaar. De looptijdverkorting wordt meegenomen in de Belastingplannen voor 2019.

De Tweede en Eerste Kamer moeten nog wel instemmen. In plaats van de 30%-regeling kan een werkgever ook de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast vergoeden. Ook voor deze mogelijkheid gaat een maximumperiode van vijf jaar gelden.

Werkneemsters die een tweeling of meerling verwachten, hebben sinds 1 april 2018 langer zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het totale verlof was minimaal 16 weken en bedraagt nu minimaal 20 weken.

Het meerlingenverlof bestaat uit een periode van zwangerschapsverlof en een periode van bevallingsverlof. Uw werkneemster bepaalt zelf de eerste dag van het zwangerschapsverlof. Deze dag moet liggen tussen de tien en acht weken voor de uitgerekende bevallingsdatum. Na de bevalling heeft de werkneemster recht op minimaal tien weken bevallingsverlof. Kiest uw werkneemster ervoor om gedurende de zwangerschapsverlofperiode door te werken, dan worden deze doorwerkdagen opgeteld bij het bevallingsverlof. Bevalt de werkneemster vóór de uitgerekende datum, dan kan zij de gemiste dagen van het zwangerschapsverlof optellen bij het bevallingsverlof.

Ook vrouwen van wie het meerlingenverlof eerder dan 1 april 2018 is begonnen, komen in aanmerking voor de extra weken aan verlof. Voorwaarde is wel dat het verlof nog loopt op 1 april 2018. De meerlingenverlofregeling geldt ook voor de zwangere zelfstandige die een tweeling of meerling verwacht.

Particulieren die zonnepanelen aanschaffen, kunnen de opgewekte energie terug leveren aan het energiebedrijf. Ze moeten zich bij de Belastingdienst aanmelden als ondernemer voor de btw en kunnen dan de btw op de zonnepanelen terugkrijgen. Deze regeling is onlangs verruimd.

De verruiming is een gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad. Deze besliste dat particulieren die zich nog niet als ondernemer hadden aangemeld, dit alsnog kunnen doen. Ook als de zonnepanelen in 2013 of eerder zijn aangeschaft.

Wie na 2013 zonnepanelen heeft aangeschaft en zich wel als ondernemer heeft aangemeld maar nog niet is uitgenodigd om aangifte te doen, kan alsnog hiervoor een aangiftebiljet aanvragen.

Let op!
Aanmelding bij de Belastingdienst als ondernemer voor de btw is verplicht als men als particulier energie levert aan het energiebedrijf.


Download PDF
Nieuwsbrief

Meld u nu aan voor de Priore-nieuwsbrief

*
Cookies

De noodzakelijke en statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens maar helpen ons de site te verbeteren. Ga je voor een optimaal werkende website inclusief embedded content? Lees meer over cookies

Meer informatie